Een militaire verdedigingslinie is een stelsel van aaneengeschakelde verdedigingswerken, vaak voorzien van hindernissen. De belangrijkste hindernis van Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) en de Stelling van Amsterdam (StvA) is de waterbarrière.

Oefening van bereden veldartillerie in een inundatie.Water ter verdediging

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd het water in eerste instantie gebruikt om vijandelijke strijdkrachten uit een gebied te verdrijven, om zo het beleg van steden te beëindigen. Nog tijdens deze oorlog werd water een meer structureel onderdeel van de Nederlandse verdediging. De militaire term voor het onderwater zetten van gebieden is 'inundatie'.

Het civiele poldersysteem, dat sinds de middeleeuwen was ontstaan, leende zich uitstekend voor inundaties. Waar water normaal met veel inzet werd weggepompt, kon het in bijzondere omstandigheden eenvoudig in de polders ingelaten worden. 

Nog ten tijde van de Bataafse Republiek was bij de inval van Engelse en Russische troepen in 1799 gebleken dat dankzij de inzet van een waterbarrière, een gebied met relatief weinig militairen ontoegankelijk gemaakt kon worden. Ook na het ontstaan van het Koninkrijk der Nederland in 1815 bleven de efficiënte en goedkope inundaties een belangrijk onderdeel van de twee nieuwe waterlinies NHW en StvA.

Hoewel een polder niet overal een gelijke hoogte heeft, was het streven om een gemiddelde waterdiepte van 20-30 centimeter aan te houden. Hierdoor werden sloten onzichtbaar en de grond modderig, terwijl het niet bevaarbaar was met boten. De inundaties waren 3 tot 5 kilometer breed zodat de vijand, met het toenmalige geschut, niet of beperkt het achterliggende land kon beschieten.

In natte jaargetijden was het stoppen van de polderbemaling voldoende om in geringe tijd het waterpeil van een polder te verhogen. In drogere tijden werd water uit boezemkanalen ingelaten, waarvoor speciale kanalen en inlaatsluizen werden aangelegd: de militaire inundatiewerken. In de NHW werden bijvoorbeeld stroomopwaars twee militaire hoofdinlaten aangelegd Wijk bij Duursteden en Tiel, om verzekerd te zijn van een hogere gemiddelde waterstand van de Lek en Waal.

Tijdens mobilisaties werd dienstplichtig waterstaatspersoneel bij de Genie ingedeeld, en beheerden in zogenoemde Inundatiestations diverse waterwerken in hun werkgebied. De wettelijke basis voor het inunderen was gelegd met de Inundatiewet uit 1896, die nogsteeds van kracht is.

Fort bij Marken-Binnen (StvA) bij de te verdedigen accessen en inundatiegebied.Forten achter het water

De militaire inundatiewerken werden aan de eigen zijde van de inundaties aangelegd maar vereisten wel bewaking om er zelf controle over de kunnen houden. En een waterlinie is niet 'waterdicht', omdat hogergelegen gronden, zandruggen, toegangswegen, rivieren, kanalen en dijken voor de vijand een bruikbare weg door de inundaties boden. Dit werden accessen genoemd en voor het afsluiten daarvan en het bewaken van de inundatiewerken werden forten, batterijen of andere, kleinere verdedigingswerken bij die accessen aangelegd.

De functie van het fort werd bepaald door het terrein waar het lag, en de vorm werd bepaald door die functie. Een fort op een enkele, smalle weg door een plas had een eenvoudige functie en kon klein en eenvoudig van opzet zijn. Terwijl een fort op hogere gronden met meerdere accessen een uitgebreide functie had en een grote, complexe vorm kreeg. Waar mogelijk was een gracht of een kade een onderdeel van het fort om een "stormenderhandse aanval" over land of water te verhinderen en het fort haar functie in tijden van oorlog zo lang mogelijk vol te laten houden.
In de loop der tijd ontwikkelde de bewapening zich waarop ook de forten van de NHW werden aangepast, vooral gekenmerkt door de bouw van bomvrije gebouwen. De bouw van forten in de StvA begon pas in 1881 en deze zijn daarna nauwelijks aangepast. (Zie Geschiedenis van de Hollandse Waterlinies.)

De forten werden vooral aan de vijandzijde gecamoufleerd door ze laag te houden en ze door middel van beplanting in het landschap op te laten gaan. De wallen en beplanting sloten qua beeld aan op de dijken en de beplanting rond het fort. Tegelijk werd getracht om er voor te zorgen dat de beplanting niet door de vijand gebruikt kon worden om te bepalen of haar geschut voor of over het fort schoot.
Daarnaast werden de forten tot de jaren 1990 niet op de openbare topografische kaarten getoond. De gracht werd als smalle sloot weergegeven en het slotenpatroon van de polder doorgetrokken op het fort. Wel werd de verharde toegangsweg met een duidelijke rode lijn naar dat "weiland" gemarkeerd.

Manschappen tijdens een oefening met geschut in de keelkazemat van Fort bij Nigtevecht (StvA).Bewapening op de forten

Met de bewapening op het fort kon de doorgang over de accessen zo goed mogelijk verhinderd worden. Het geschut van de artillerie kon de vijandelijke artillerie op grote afstand bestrijden en hinderen op haar weg naar het fort. Mocht de vijandige infanterie het fort dicht genaderd zijn, dan boden geweren en later mitrailleurs gewapende weerstand. Op de forten waren bomvrije remises gebouwd voor het veilig stallen van het geschut en, vaak een verdieping onder de remise, voor de opslag van het kruit en projectielen. Het geschut varieerde van 6 cm. tot 15 cm. kaliber, met een bereik tussen 1 en 10 kilometer. Kustforten en -batterijen hadden zelfs 24 cm. kaliber geschut.

Er werd gebruik gemaakt van het terrein, en soms waren in vredestijd aanpassingen gemaakt, om vanaf het fort een zo goed mogelijk schootsveld te hebben. Bochten in wegen en geschut buiten de forten kon gebruikt worden om ook zijwaarts "vuur op den vijand af te geven". En met het geschut op de forten kon niet alleen het voorterrein bestreken worden, maar konden ook nabijgelegen forten en het tussengelegen terrein onder vuur genomen worden. Bij een vijandelijke inname van een fort kon zij door omliggende forten met "eigen vuur" beschoten worden.

Om in oorlogstijd vrij schootsveld te hebben, was het gebied rond de verdedigingswerken ingedeeld in cirkels van driehonderd, zeshonderd en duizend meter. Dit waren de Verboden Kringen zoals vastgesteld in de Kringenwetten van 1814 en 1853. In deze kringen golden allerlei bouw- en beplantingsvoorschriften die afhankelijk waren van de klassificatie van het verdedigingswerk. Bij de hoogste klassificatie mochten binnen de kring van 300 meter bijvoorbeeld alleen houten huizen worden gebouwd. In geval van oorlog konden alle obstakels, zoals huizen, gebouwen en bomen binnen de drie kringen worden afgebroken of verbrand. In de Kringenwet van 1853 was daarvoor een regeling voor schadevergoeding opgenomen.

Militairen in Fort bij Everdingen (NHW), 1939.Militairen voor de bewapening

In tijden van internationale spanning kon het Nederlandse leger gemobiliseerd worden, waarmee onder andere dienstplichtige mannen opgeroepen werden. Een deel van deze militairen vormden de bezetting van de NHW en de StvA. Het Nederlandse leger werd in 1870-1871 gemobiliseerd vanwege de Frans-Duitse oorlog, in 1914-1919 vanwege de Eerste Wereldoorlog en van 1939-1940 vanwege de Tweede Wereldoorlog. Buiten de mobilisaties waren er alleen bij oefeningen en uitzonderingen militairen in de forten gelegerd. Wel woonde er permanent een fortwachter met zijn gezin in de woning bij het fort. Vaak was er een tweede woning voor een conducteur (onderhoud aan geschut) of magazijnsknecht.

De forten waren van bomvrije kazernes voorzien, om de militairen op het fort te kunnen laten verblijven en niet bij de burgers in de omgeving in te kwartieren. Er was een eigen keuken, opslag van levensmiddelen en brandstoffen (steenkool en petroleum). In drinkwater werd zelf voorzien door regenwater en bronwater te gebruiken. In levensmiddelen en brandstoffen werd grotendeels voorzien vanuit magazijnen en fabrieken in het achterland. 

In drie ploegen konden de militairen snel en ongestoord een 24-uurs bezetting van de bewaping uitvoeren. Het aantal militairen per fort en batterij lag tussen de 50 en 300 militairen. Voor de NHW kwam dat neer op ruim 15.000 militairen, terwijl de StvA een bezetting van ruim 12.000 militairen had. Dit betrof de minimale beveiligingsbezetting van beide linies. In geval het veldleger zich onder vijandelijke druk zou moeten terugtrekken op de NHW, zou zij een noodzakelijke aanvulling daarop moeten vormen. Dat gold ook als de NHW zou vallen en het leger zich zou moeten terugtrekken op de StvA.

Militairen opgesteld op het plein van de Oranje-Nassau Kazerne in Amsterdam.Leger van militairen

In de periode waarin de Hollandse Waterlinies in gebruik waren, had Nederland een leger dat bestond uit een klein permanent beroepskader van officieren en onderofficieren, en een groot oproepbaar ("mobilisabel") dienstplichtig leger van onderofficieren en manschappen ("minderen"). In vredestijd verzorgde het beroepskader de opleiding van jaarlijkse lichtingen van dienstplichtigen. In oorlogstijd zou het beroepskader leiding geven aan de dienstplichtigen. Een dienstplichtige kwam meestal in zijn 18de levensjaar op voor de eerste oefening van 6 tot 12 maanden, waarna hij eens per jaar of twee jaar terugkeerde voor een herhalingsoefening van een week tot een maand. In zijn 40ste levensjaar werd hij ontslagen van de dienstplicht. Tot 1898 kon je ook iemand anders betalen om voor jou je dienstplicht te vervullen.

De NHW en de StvA waren niet de enige waterlinies in Nederland waarvoor militairen geoefend en ingedeeld werden. Zo vormde de Grebbelinie de voorverdediging ten oosten van de NHW en de Zuiderwaterlinie ten zuiden ervan. (Zie Waterlinies in Nederland). Naast de statische verdediging in de waterlinies had de Landmacht ook een beweeglijk Veldleger dat een vijandelijke troepenmacht in het oosten en zuiden van het land moest bestrijden. De vier divisies van het Veldleger oefenden voor grote manouvres op de Veluwe en in Noord-Brabant. Ook had zij tot taak de grenzen te bewaken.
De Marine was belast met de verdediging van de Noordzee en de kustwateren, maar in die tijd ook  de binnenwateren waaronder de Zuiderzee en de grote rivieren.

De Tweede Kamer in vergadering bijeen in 1914. (Het Geheugen)Nederland heeft een leger

Nadat België in 1839 officieel werd erkend door Nederland, vormden neutraliteit en afzijdigheid bij militaire conflicten de belangrijkste pijlers van het buitenlandse beleid. Dit hield in dat Nederland zich, hoewel neutraal, niet zonder slag of stoot zou overgeven bij een inval. In één term valt dit beleid te omschrijven als een politiek van 'gewapende neutraliteit'. Nederland hield zich afzijdig bij militaire conflicten in Europa, maar beschikte wel over een eigen krijgsmacht om haar neutraliteit te verdedigen. Om dit beleid naar de buitenwereld geloofwaardig te laten zijn, moest geïnvesteerd worden in de kwaliteit van het leger en de verdedigingswerken. Regelmatig vormden deze investeringen punt van discussie in de nationale politiek.

Bij een buitenlandse inval was het eerste doel van de landsverdediging om de opmars van de vijand te vertragen en langdurig stand te houden in de waterlinies. Hierdoor werd tijd gewonnen, zodat via diplomatieke kanalen hulp ingeroepen kon worden van andere Europese landen. Daarmee werd erkend dat de Nederlandse krijgsmacht niet opgewassen was tegen de legers van de Europese grootmachten, maar werd gerekend op de steun van andere Europese landen.

Gevelsteen over de distributie in 1914-1918, in Amsterdam-Noord.De Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) wordt over het algemeen beschouwd als het hoogtepunt van het gevoerde beleid. De 'gewapende neutraliteit' was immers succesvol geweest en heeft ons land veel ellende en schade bespaard. Deze 'landsverzekering' kende wel een hoge economische prijs, naast soldaten die op den duur 'mobilisatiemoeheid' vertoonden en het ontstaan van grote voedseltekorten in het laatste jaar van de oorlog. In 1918 kwam hier nog bij, dat er een grieppandemie was uitgebroken waar tienduizenden Nederlanders aan zouden overlijden. 
Toen in de loop van de jaren 1930 duidelijk werd dat Nederland de vijand uit het oosten kon verwachten, werd in het geheim steun gezocht bij Frankrijk en Engeland. Bij de inval van Duitsland in de meidagen van 1940, kwam militaire hulp uit Frankrijk maar dit was tevergeefs.
De poltiek van 'gewapende neutraliteit' eindigde in 1940. Na de Tweede Wereldoorlog kozen we voor een bondgenootschappelijke verdediging in de West-Europese Unie (WEU) en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO).

Een van de pijlers onder de 'gewapende neutraliteit' was dat Nederland handel wilde blijven drijven met alle landen, ondanks de belangen en conflicten tussen de Europesche grootmachten. Landen die handel met elkaar drijven zijn afhankelijk van elkaar en minder geneigd om oorlog met elkaar te voeren. Dat was ook een van de uitgangspunten van de grondleggers van de huidige Europese Unie.

Tekst: Ronald Hamberg en René Ros.
Foto's: collectie KCW, (collectie) René Ros, Het Geheugen (Koninklijke Bibliotheek).

Bronnen: 
Beplantingen op verdedigingswerken (Martijn Boosten, Patrick Jansen, Ido Brokent), EersteWereldoorlog.nuNederlandse Defensie 1839-1874 (W. Bevaart), Stelling van Amsterdam, Sterk Water (Chris Will), Het Vaderland verdedigd 1874-1914 (W. Klinkert).

Vorige Volgende

Hollandse Waterlinies