De historische ontwikkeling van de Hollandse Waterlinies, de verzamelnaam voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) en de Stelling van Amsterdam (StvA), kan in acht fasen worden onderverdeeld. Het beginpunt ligt in 1815 toen koning Willem I besloot tot de aanleg van de NHW. Fase 0 geldt hierin als de militair-historische situatie tot 1815. Binnen deze onderverdeling komt de StvA in beeld vanaf de vijfde fase. Deze onderverdeling in acht fasen luidt als volgt:

Vesting WoudrichemFase 0: Basis (situatie tot 1815)

Tot 1815 was er in de Hollandse Waterlinies sprake van diverse vestingsteden die een militaire functie vervulden in de Oude Hollandse Waterlinie. Voorbeelden van vestingsteden zijn onder andere Naarden, Weesp en Gorinchem. Als voorloper van de Stelling van Amsterdam werd in 1805 begonnen met de aanleg van de zogenoemde 'Posten van Kraijenhoff', die dienden ter bescherming van de hoofdstad.

In 1814 werd de Kringenwet aangenomen. In deze wet werden beperkingen opgelegd aan het soort bouwmateriaal waarmee gebouwd mocht worden in de nabije omgeving van forten. Bij oorlogsdreiging mochten gebouwen worden afgebroken om een vrij schootsveld te verkrijgen. 

Fase 1: Accesposten (1815-1840)

In 1815 werd per Koninklijk Besluit besloten tot de bouw van de NHW. In deze fase werd diverse accessen voorzien van verdedigingswerken en een fortengordel langs Utrecht aangelegd om die stad te beschermen. Verder werd in deze fase gewerkt aan de bouw van een inundatiesysteem, zodat inundaties beter beheersbaar waren.

Later in deze fase ging de militaire aandacht vooral uit naar de Belgische Opstand (1830) en de militaire operaties in het zuiden van Nederland. Pas na de officiële onafhankelijkheid van België in 1839, werden plannen ter versterking van de NHW daadwerkelijk uitgevoerd.

Fase 2: Versterkte Accesposten (1841-1866)

Vanaf 1841 werden diverse versterkingen aangebracht in de NHW. Zo werden op diverse forten bomvrije gebouwen aangelegd en werden de belangrijkste forten voorzien van een ronde toren van zwaar metselwerk.

Verder werd in 1853 een nieuwe Kringenwet aangenomen en uitgevoerd. Het terrein rondom verdedigingswerken werd opgedeeld in drie kringen van driehonderd, zeshonderd en duizend meter. Bij de hoogste klassificatie van een verdedigingswerk mocht binnen de eerste kring van driehonderd meter alleen in hout gebouwd worden. Bij oorlogsdreiging konden deze huizen, schuren en andere gebouwen binnen deze drie kringen afgebroken of afgebrand worden om vrij schootsveld te creëren. 

Fort op de Ruigenhoekse DijkFase 3: Artillerieforten (1867-1870)

Door militaire innovaties in de periode 1860-1870, veroorzaakt door de Industriële Revolutie, is de reikwijdte van het geschut vergroot. De ligging van de steden Naarden en Utrecht werd hierdoor te kwetsbaar, waardoor werd besloten om de frontlijn meer voorwaarts te plaatsen. Ten oosten en zuiden van de vesting Naarden verrees het zogenoemde 'Offensief van Naarden', dat uiteindelijk bestond uit vijf werken.

Bij Utrecht werden nieuwe forten gebouwd ten oosten van de stad. Hieronder vallen de artillerieforten Fort op de Ruigenhoekse Dijk, Fort op de Voordorpse Dijk, Fort bij Rijnauwen en Fort bij Vechten. Fort bij Rijnauwen heeft een moderne polygonale (veelhoekige) vorm en is het grootse en duurste fort ooit gebouwd in de NHW. 

Fase 4: Modernisering Artillerieforten (1871-1885)

Het Nederlandse leger werd in 1870 gemobiliseerd vanwege de Franse-Duitse oorlog (1870-1871). Hierbij werd duidelijk dat het leger en de verdediginsgwerken gebreken vertoonden, en er vooral een gebrek aan kazernes voor de manschappen en remises voor geschut was. Al in 1869 was begonnen aan een ontwerp-Vestingwet, die in 1874 werd aangenomen, met als doel om vast te stellen uit welke linies het Nederlandse vestingstelsel bestond en hoe het voltooid zou worden.

Voor de NHW betekende dit de vernieuwing van verouderde verdedigingswerken, de bouw van kazernes en remises en het versnellen van het inundatiesysteem. Ook werden nog twee aanvullende forten gebouwd, namelijk Fort bij 't Hemeltje en Fort aan de Nieuwe Steeg.
Met de Vestingwet werd bovendien besloten tot de bouw van de Stelling van Amsterdam. In 1881 werd het tracé daarvoor vastgesteld en aangevangen met de constructie van het Fort bij IJmuiden. 

geschiedenis 1Fase 5: Infanterieforten (1886-1913)

Door de uitvinding van de brisantgranaat in 1885, waren de forten van de NHW kwetsbaar geworden. Het geschut werd verplaatst van de forten naar tussenliggende batterijen, waarna de forten met name dienden als huisvesting en steunpunt voor de infanterie.

In de StvA werd begonnen aan de aanleg van het inundatiesysteem. En, na een nieuw fortontwerp dat kleiner en moeilijke te treffen was, aan de bouw van nieuwe betonnen forten. Omdat de artillerie al direct buiten de forten zou worden geplaatst, waren deze forten kleiner in vergelijking met de forten in de NHW. De bouw van forten in de StvA was vrijwel voltooid maar werd bij de aanvang van de Eerste Wereldoorlog in 1914 beëindigd.

In 1896 werd de Inundatiewet aangenomen, waarin werd bepaald dat, tegen een schadevergoeding, grondgebied in tijden van oorlogsdreiging geïnundeerd kon worden. Deze wet is nogsteeds van kracht!

Granaatvrije schuilplaatsen in de Voorstelling bij Spaarndam.Fase 6: Kazematten (1914-1944)

Door verbeteringen in de artillerie ontstond de noodzaak van meerdere kleine, verspreid liggende bouwwerken in plaats van grote forten. Deze fase kan onderverdeeld worden in vier subperiodes:

  • schuilplaatsen (1914-1919)
  • geen bouw (1920-1929)
  • kazematten (1930-1940)
  • bunkers door Duitse bezetter (1941-1944)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden schuilplaatsen gebouwd die dienden als veilig onderkomen voor soldaten tijdens artilleriebeschietingen. In het decennium na de Eerste Wereldoorlog werd vanwege bezuinigingen en de verbeterde politieke situatie weinig prioriteit gegeven aan de bouw van nieuwe betonconstructies.

Vanaf 1930 ontstonden nieuwe accessen in de NHW én StvA, door de aanleg van nieuwe infrastructuur en met name wegen. Ter compensatie werden op diverse plaatsen kazematten gebouwd om deze toegangen te beveiligen. Buiten de Hollandse Waterlinies zijn de zware kazematten op de Afsluitdijk daar een bijzonder voorbeeld van. De bouw in deze fase bereikte echter haar hoogtepunt in de mobilisatieperiode 1939-1940 toen er een groot aantal groepsschuilplaatsen werd gebouwd.

Na de Duitse inval in mei 1940 en de daaropvolgende bezetting van Nederland, begon de Duitse bezetter aan de bouw van bunkers. Aanvankelijk werden de bunkers gebouwd om objecten, waaronder vliegvelden, te beveiligen.
Vanaf 1942 werden bunkers gebouwd als onderdeel van de Atlantikwall en daarachter werden tussen 1944-1945 twee waterlinies aangelegd: de Vordere- en Hintere Wasserstellung. Deze linies waren ingericht om bij een Geallieerde landing en doorbraak van de Atlantikwall, het achterland te kunnen verdedigen. Vanaf de zomer van 1944 tot mei 1945 werden grote delen van Nederland door de Duitse bezetter geïnundeerd en gebruikte de bezetter onze eigen verdediging om de Geallieerde opmars te vertragen. 

Voertuigloodsen op Werk aan de BakkerskilFase 7: Magazijnen (1945-1990)

Direct na de Tweede Wereldoorlog werden forten, vooral in de StvA maar ook een aantal in de NHW, tot 1948 gebruikt als kampen voor 'politieke delinquenten' oftewel 'NSB-kampen'. Vanaf 1949 werd de verdediging van Nederland opgenomen in de NAVO-strategie. In die defensie-strategie speelden de Hollandse Waterlinies geen rol en werden de forten opgeheven als vestingwerken.

Vervolgens werden de forten tijdens de Koude Oorlog gebruikt als opslagplaats voor onder andere voedselvoorraden, medische materialen, munitie en explosieven. In enkele gevallen vond nieuwbouw plaats in de vorm van voertuigloodsen en munitiemagazijnen. Verder zijn voor de Bescherming Bevolking (B.B.) tijdens de jaren 1950 enkele commandoposten (beschermde onderkomens, 'bunkers') in of op forten gebouwd. Ook zijn er enkele forten voorzien van een toren voor het Korps Luchtwachtdienst om laagvliegende vliegtuigen waar te nemen.

Door het intrekken van de Kringenwet in 1963, vervielen bij de laatste forten de beperkingen daarvan. Na het einde van de Koude Oorlog in 1991 werden de laatste forten door Defensie afgestoten en overgedragen aan het toenmalige Domeinen, onderdeel van het Ministerie van Financiën. 

Nieuw restaurant Batterij bij PoederoijenFase 8: Transitie (1991 tot heden)

Na het einde van de Koude Oorlog kwam er interesse voor de historische en ecologische waarde van beide waterlinies en hun forten. Via Domeinen kwamen de forten in handen van Staatsbosbeheer, provincies, gemeenten, natuurorganisaties of in bezit van particulieren.

In de jaren 1990 zijn de forten en andere onderdelen van de StvA merendeels provinciaal monument geworden, en een kleiner deel RIjksmonument. Waarna in 1996 de officiële waardering als UNESCO-werelderfgoed volgde met de provincie Noord-Holland als site-holder.

Ter behoud en bescherming van de NHW startte in 1999 het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie. De forten, kazematten en inundatiewerken daarvan werden in 2009 aangewezen als Rijksmonument. Een voorlopig hoogtepunt werd in 2019 bereikt met de indiening van het nominatiedossier bij UNESCO, waarin de Nieuwe Hollandse Waterlinie is aangedragen als uitbreiding op het werelderfgoed Stelling van Amsterdam.

Inmiddels hebben vooral de forten nieuwe, verschillende civiele functies gekregen. Waar sommige forten zijn aangewezen als natuurgebied, zijn andere forten in gebruik bij bedrijven en instellingen als museum, bedrijfsruimte of horeca-gelegenheid. De originele gebouwen worden vaak voor die nieuwe functies verbouwd. Ook heeft er op diverse forten hiervoor nieuwbouw plaatsgevonden in de vorm van restaurants en woningen. In toenemende mate worden beide linies verkent door toeristen die het 'geheim' van de Hollandse Waterlinies ontdekken.

Tekst: Ronald Hamberg en René Ros.
Foto's: provincie Utrecht, (collectie) René Ros.

Bronnen: o.a. Sterk Water (Chris Will), Stelling van Amsterdam.

Vorige Volgende

Hollandse Waterlinies