De defensie van het huidige Nederlandse grondgebied is vooral gebaseerd op linies met water als verdedigingsmiddel. Door de eeuwen heen onderscheiden we ongeveer vijfenveertig verdedigingslinies die in Nederland zijn aangelegd, vanaf de Romeinse Limes tot de laatste aanpassing van de IJssellinie tijdens de Koude Oorlog. In dit overzicht worden een aantal van deze verdedigingslinies genoemd.

Kruithuis in de Vesting Brielle.Offensieve inundaties tijdens de Opstand  (1568-1648)

Voordat het water defensief werd ingezet in de vorm van verdedigingslinies, zijn er in de Tachtigjarige Oorlog oftewel de Opstand voorbeelden te vinden van reactieve en offensieve inundaties.
Tijdens de Opstand leidde offensieve onderwaterzettingen tot de terugtrekking van Spaanse soldaten bij Brielle, die in 1572 probeerden om Brielle te heroveren op de Watergeuzen. In 1573 moest Don Fadrique, zoon van de Spaanse hertog van Alva, zijn beleg van de stad Alkmaar opgeven nadat prins Willem van Oranje had besloten tot onderwaterzetting van het omliggende gebied. Daarmee werd Alkmaar de eerste stad tijdens de Opstand die succesvol werd ontzet.
In 1574, een jaar later, zorgden onderwaterzettingen voor de terugtrekking van Spaanse soldaten bij Leiden. Ruim vier maanden lang werd Leiden belegerd, totdat verschillende polders onder water gezet werden en de Staatse vloot via dit water de stad kon ontzetten.

Friese Waterlinie (1582-1673)

De Friese Waterlinie werd tegen het einde van de 16e eeuw aangelegd, na de Spaanse inname van Steenwijk (1582). Deze linie liep vanaf Kuinre bij de toenmalige Zuiderzee, naar Frieschepalen aan de grens met Groningen waar de linie over ging in de Groningse Waterlinie. Hoofddoel van de waterlinie was de bescherming van Leeuwarden. Tussen de moerassen werden schansen aangelegd om de kwetsbare doorgangen te beschermen. Aansluitend op het Rampjaar (1672) werd de linie in het volgende jaar doorbroken door de troepen van de bisschop van Münster, maar die zijn verdere opmars vanwege een hevige storm moest afbreken.

Staats-Spaanse linies (1583-1794)

Strategisch gezien draaide de strijd in Zeeuws-Vlaanderen om het beveiligen van de toegang tot Antwerpen en Gent. Het overlopen van een Zeeuwse baljuw van Staatse naar Spaanse dienst vormde de directe aanleiding tot het begin van de Staats-Spaanse linies. Grote delen van Zeeuws-Vlaanderen vielen hierdoor in Spaanse handen, maar Terneuzen werd door de Staatsen preventief in bezit genomen. Ter bescherming bouwden Duitse huurlingen in Staatse dienst, ten zuiden van Terneuzen, de zogenoemde 'Moffenschans'. De Spanjaarden reageerden door de bouw van een eigen verdedigingswerk. Dit resulteerde in de bouw van twee tegengestelde linies in het gebied tussen Knokke-Heist en Antwerpen. Deze grensbepalende linie tussen Nederland en België werd tot aan het begin van de Franse Tijd (1794) versterkt. 

Schoolplaat 'Aan de Hollandse Waterlinie 1672'Oude Hollandse Waterlinie (1590-1815)

Plannen voor het gebruik van een waterlinie voor de verdediging van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden dateren al uit 1588. De waterlinie werd na de chaotische, maar succesvolle inzet tijdens het Rampjaar (1672) de hoofddefensie van de Republiek. Deze roemruchte Oude Hollandse Waterlinie (OHW) liep vanaf de Zuiderzee bij Muiden, via Woerden en Schoonhoven naar de grote rivieren bij Gorinchem.

Ruim een eeuw later vertrok een Frans leger richting de Republiek in de winter van 1794-1795, normaal gesproken het seizoen waarin geen veldtochten gehouden werden. Door het dichtvriezen van de grote rivieren en inundaties werd op een natuurlijke manier het wapen van de waterlinie geslecht. De Franse troepen staken de bevroren rivieren over en kort daarna werd de Nederlandse Republiek ingelijfd bij de Franse Republiek.  

Slag om GrolleBeleg van 's-Hertogenbosch (1629)

De gehanteerde tactiek van de opstandelingen om gebieden te inunderen werd in 1629 door de Spaanse bezetter gebruikt bij de verdediging van ´s-Hertogenbosch, dat gold als onneembare vesting. In 1629 waagde stadhouder Frederik Hendrik een nieuwe poging, waarbij hij geadviseerd werd door waterbouwkundige Leeghwater. Op 1,5 kilometer vanaf de stad werd een circumvallatielinie aangelegd door de Staatse troepen om een ontzetting van de stad te voorkomen. Deze tactiek was eerder door beide kanten met succes gebruikt bij de belegeringen van Breda (1625) en Groenlo (1627). Het inundatie-water rondom de stad werd door middel van 23 rosmolens weggepompt, waardoor het Staatse leger kon optrekken naar de stadswallen. Na ruim vier maanden viel 's-Hertogenbosch in handen van 'stedendwinger' Frederik Hendrik. 

Zuiderfrontier en Zuiderwaterlinie (ca. 1700-1920)

De langste waterlinie in Nederland bewaakte het zuidelijk frontier, dat grofweg liep vanaf de Zeeuwse vestingstad Sluis, via het huidige Noord-Brabant tot aan Grave. Deze linie was een ontwerp uit 1697 van de vestingbouwer Menno van Coehoorn om de zuidgrens van de Republiek te beschermen. Met de Vestingwet van 1874 verviel het grootste gedeelte van de frontier en bleven er twee delen over: de Stelling van het Hollands Diep en het Volkerak rond Willemstad, en de Zuiderwaterlinie tussen Geertruidenberg en fort Nieuw-Sint Andries bij Heerwaarden.

Grebbelinie (1745-1951)

De Grebbelinie, in de 19e eeuw als Stelling in de Gelderse Vallei aangeduid, is een waterlinie die loopt vanaf Rhenen, door de Gelderse Vallei naar Bunschoten-Spakenburg. De aarden verdedigingswerken werden tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) aangelegd als voorverdediging voor de Oude Hollandse Waterlinie, waar men dan tijd had om de inundaties te stellen. Deze rol bleef de Grebbelinie vervullen tot maart 1940, toen deze met de IJssellinie een voorverdediging vormde voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In februari 1940 werd door generaal Winkelman besloten om de hoofdverdediging vanuit de Grebbelinie te voeren. In mei 1940 werd de Grebbelinie zwaar bevochten, met name op de Grebbeberg bij Rhenen waar de linie na vijf oorlogsdagen werd doorbroken. 

Fort bij HonswijkNieuwe Hollandse Waterlinie (1815-1951)

Na het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 ontstonden nieuwe ideeën en mogelijkheden voor de inrichting van de landsverdediging. Was de OHW ingericht op de buitengrenzen van de staat Holland, de nieuwe plannen resulteerden in een nieuwe waterlinie.

Bij Koninklijk Besluit werd in 1815 door koning Willem I opdracht gegeven tot de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). Deze werd meer oostwaarts aangelegd om ervoor te zorgen dat de stad Utrecht veilig achter de linie kwam te liggen.

De NHW werd drie keer in staat van paraatheid (mobilisatie) gebracht: tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-1871), gedurende de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) en gedurende de mobilisatieperiode van de Tweede Wereldoorlog (1939-1940). Tot februari 1940 was de NHW aangewezen als de hoofdstelling van de Nederlandse landsverdediging, daarna kreeg de Grebbelinie deze rol toebedeeld.

IJssellinie (1860-1972)

De IJssellinie diende, evenals de Grebbelinie, als voorverdediging voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Hierbij werd de IJssel gebruikt als natuurlijke barrière en lag de nadruk vooral op het beveiligen van kwetsbare rivierovergangen. Hiervoor werden enkele sperforten bij Westervoort en Pannerden aangelegd, die later werden uitgebreid met kazematten.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Nederland lid van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), waarin aanvankelijk een gemeenschappelijke verdediging langs de Rijn gevoerd werd. Ter bescherming van West-Nederland besloot Nederland de verdediging over de IJssel-rivier door te trekken. Van 1952 tot 1960 kon door middel van drijvende stuwen de IJssel-vallei geïnundeerd worden. Na de toetreding van West-Duitsland tot de NAVO in 1955 werd de verdedigingslijn oostwaarts verplaatst en verloor de IJssellinie haar militaire functie.

Fort bij IJmuidenStelling van Amsterdam (1881-1940)

De zogenoemde 'Posten van Kraijenhoff' uit 1805-1810 vormden de voorloper van deze moderne waterlinie, waarvan de bouw in 1881 begon met de constructie van het Fort bij IJmuiden. De cirkelvormige Stelling van Amsterdam beschermde de hoofdstad van Nederland bij een vijandelijke inval.

De Stelling fungeerde als een Nationaal Reduit: een laatste toevluchtsoord voor de regering, het koningshuis en de krijgsmacht wanneer de rest van Nederland bezet zou zijn. In afwachting van eventuele buitenlandse hulp moest hier standgehouden worden. Door middel van inundaties kon de vijand op afstand gehouden worden.

Hoewel de Stelling ten tijde van de Eerste Wereldoorlog nog niet volledig gereed was, werden troepen gemobiliseerd op de forten. In de mobilisatieperiode 1939-1940 waren geen troepen toegewezen aan de Stelling en er hebben in de meidagen 1940 dan ook geen gevechtshandelingen plaatsgevonden. 

Duitse Waterlinies (1944-1945)

De Vordere Wasserstellung werd achter de Atlantikwall aangelegd en was gericht tegen een succesvolle Geallieerde landing op de Nederlandse kust. Deze waterlinie liep grofweg langs het tracè Edam, Haarlem, Alphen aan de Rijn naar Bergen op Zoom.

Achter de Vordere Wasserstellung lag de Hintere Wasserstellung, die als tweede waterlinie was ingericht en voor een groot deel het tracè van de OHW volgde.
Verder naar het oosten werd vanaf oktober 1944 gewerkt aan de zogenaamde 'Pantherstellung' dat tussen Amersfoort en Veenendaal het tracé van de Grebbelinie gebruikte. Het werd ingezet om een Geallieerde opmars te vertragen en in de laatste oorlogsmaanden kwam het geregeld tot vuurgevechten.

Tekst: Ronald Hamberg en René Ros.
Foto's: provincie Utrecht, (collectie) René Ros

Bronnen: Friese WaterlinieStaats-Spaanse LiniesDe GrebbelinieZuiderwaterlinieStelling van Amsterdam.
Sterk Water (Chris Will)

Volgende

Hollandse Waterlinies