Al sinds ongeveer 1990 wordt gewerkt aan het herstel, ontwikkeling en nieuw gebruik van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) en de Stelling van Amsterdam (StvA). Voorafgaand en tijdens deze periode zijn onderzoeken uitgevoerd, visies geschreven, bestuursovereenkomsten gesloten en samenwerkingsovereenkomsten bezegeld. Voor erfgoed is historische kennis per definitie de fundering van het ontwikkelde beleid.

Deze pagina geeft een beeld van de recente geschiedenis van de beide linies aan de hand van de belangrijkste beleidstechnische ontwikkelingen. Je zult zien hoe de inzichten en de doelen verschilden maar, voortbouwend op elkaars ervaringen, de beide waterlinies vrijwel op hetzelfde punt zijn aangekomen.

beleid visienhCultuurhistorische betekenis van forten

Na het afstoten van de forten door Defensie kwamen deze onder beheer van Domeinen, die elk fort apart te koop aanbood aan overheden. Omdat deze overheden op dat moment de vraagprijs van 450.000 gulden voor het Fort bij Velsen (StvA) te hoog vonden, werd het fort op 18 juni 1980 bij openbare inschrijving verkocht. De nieuwe eigenaar werd G. Kruk., die een zeejachthaven op het fort wilde vestigen. Na het niet verkrijgen van de vergunningen van de provincie Noord-Holland, werd van 1981 tot 1983 het merendeel van de bomvrije gebouwen gesloopt om het puin te verkopen.

De sloop van de gebouwen van het Fort bij Velsen wordt gezien als een belangrijk omslagpunt in de houding van de overheden. De provincie Noord-Holland startte een historisch onderzoek naar de verschillende militaire verdedigingslinies binnen haar grenzen, met de Stelling van Amsterdam als de omvangrijkste. De resultaten werden in 1986 gepubliceerd in het 'Studiebericht 17, De cultuurhistorische betekenis van forten'. Men hoopte dat een neerwaartse spiraal van sloop en vernielingen kon worden gestopt door de bekendheid te vergroten.
Daarnaast liet de gemeente Amsterdam een globaal onderzoek verrichten naar de betekenis van de Stelling voor het bedrijfsleven. Het rapport uit 1986 zag vooral watertoeristische mogelijkheden en schrijft in de conclusie: "Als er geen Stelling van Amsterdam had bestaan, zou ze moeten worden uitgevonden. Een unieke gelegenheid een schitterende toeristische attractie tot hoogwaardige ontwikkeling te brengen ligt voor het grijpen".

Met de goedkeuring van de provinciale beleidsvisie 'de Stelling van Amsterdam' in maart 1987 stelde de Provinciale Staten van Noord-Holland dat er urgent beleid moest worden geformuleerd voor het behoud en de toekomstige ontwikkeling van de StvA. Het telt maar liefst 17 beleidsuitgangspunten zoals dat een nuttig gebruik een belangrijke bijdrage zou leveren aan het behoud. Punt 5 betrof het belang van bereikbaarheid en toegankelijkheid zodat de bevolking de StvA kon ervaren en beleven.

Een "Projectgroep Stelling van Amsterdam' met provincie, gemeenten en recreatieschappen werd opgezet, die op 11 oktober 1988 haar eerste brainstorm-bijeenkomst hield om te komen tot ideeën voor mogelijke toekomstige functies voor de Stelling. Ook vonden er clusterbesprekingen met lagere overheden en eigenaren plaats. Dit leidde in augustus 1989 tot een rapport "Mogelijk eindbeeld functie en gebruik'. Zeven forten die dicht bij woongebieden lagen, zouden intensief benut kunnen worden met horeca en educatie. Terwijl het merendeel van de forten extensief gebruikt zou kunnen worden voor recreatie, opslag en bedrijven. De beleidsvisie zag nog verschillen in historische waarden van de onderdelen, de projectgroep zag blijkbaar een samenhang en vond alle onderdelen van gelijke waarde.

In 1989 beschreef de provincie waterstaatkundige monumenten, waaronder enkele inundatiewerken van de Stelling, die vervolgens provinciaal monument werden. In 1990 gebeurde hetzelfde met de historische verdedigingswerken 1915-1940 met vooral de VIS-kazematten in de StvA en NHW. Opmerkelijk is dat de schuilplaatsen uit de periode 1916-1919 hierin ontbreken.

Eindpresentatie Buitenring Metropool in 2001De onderdelen van de Stelling, voor zover in Noord-Holland gelegen, werden tussen 1990 en 1992 beschreven en op de provinciale monumentenlijst geplaatst. Voor enkele forten werd, mogelijk op particulier initiatief, de status van Rijksmonument aangevraagd en verkregen. Dat gebeurde in 2000-2001 ook voor de zes Stelling-forten in de provincie Utrecht, dat geen provinciale monumenten-verordening heeft.

Het eerste rapport over het onderzoek naar de bouwkundige staat van de forten verscheen in 1995. In hetzelfde jaar verscheen tevens het nominatie-dossier voor de aanvraag van de Werelderfgoed, dat in 1996 door de UNESCO werd toegekend.
In 1981 was het Fort benoorden Purmerend al gerestaureerd maar als resultaat van het beleid waren het Fort bezuiden Spaarndam en het Fort aan de Drecht in respectievelijk 1998 en 2000 als eerste gerestaureerde forten opgeleverd.
Pas in 2001 kwam er meer aandacht voor het landschap en ruimtelijke ordening met het rapport 'Een langzame buitenring in een snelle metropool' dat voortkwam uit diverse bijeenkomsten met eigenaren en belanghebbenden.

De provincie Noord-Holland startte in 2005 met een actievere houding met het Uitvoeringsprogramma 2005-2008 als basis, dat werd uitgevoerd door een gelijktijdig opgericht programmabureau Stelling van Amsterdam. Met de inzet van financiële middelen werden projecten voor behoud, herontwikkeling en exploitatie mogelijk gemaakt en bevorderd. Tot op heden volgden er steeds nieuwe uitvoeringsprogramma's voor periodes van 3 tot 5 jaar.

Panorama KrayenhoffCultuurhistorische betekenis van landschap

In 1995 werd de NHW op de voorlopige lijst van UNESCO geplaatst. Hierop staan objecten, plaatsen en/of gebieden waarvan de Nederlandse staat overwoog tot een definitieve plaatsing op de UNESCO Werelderfgoedlijst.
De Nederlandse overheid startte voor de NHW in 1999 een nationaal project, mede vanwege de ruimtelijke opgave en complexe bestuurlijke inrichting van het gebied. Hiermee samenhangend werd in 1999 de zogenoemde 'Nota Belvedere' gepubliceerd. Deze beleidsnota ging in op de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke ordening. De centrale doelstelling hiervan was een beleid waarin 'de cultuurhistorische identiteit sterker richtinggevend wordt voor de inrichting van de ruimte.' Het credo 'behoud door ontwikkeling' vormde het vertrekpunt en centrale element in dit beleid: het behouden én benutten van cultuurhistorische elementen in het landschap.

Door het projectbureau, dat vanaf 2003 de leiding had over het nationaal project NHW, werd in 2004 het Linieperspectief 'Panorama Krayenhoff' gepubliceerd . Dit Linieperspectief vormde de basis voor de bescherming en ontwikkeling van de NHW met een gemeenschappelijke koers voor de ruimtelijke bescherming en de kansen voor watermanagement, recreatie en toerisme. In 2005 werd door de vijf betrokken provincies en vijf bewindslieden een bestuursovereenkomst gesloten en besloten dat het Linieperspectief als leidraad zou fungeren en de daarin gestelde doelen in 2020 behaald zouden zijn. In datzelfde jaar verkreeg de NHW de status van 'Nationaal Landschap'.

Met het Pact van Rijnauwen (2008) werd door het Rijk en de betrokken provincies formeel onderkend dat de 'zorg voor de kwaliteit en identiteit van (de regio midden-)Nederland een gezamenlijke opgave is.'. Daarmee werd de basis gelegd voor de daadwerkelijke uitvoering van het Linieperspectief in de regio Midden-Nederland. Onderdeel hiervan was dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zou werken aan een uitbreiding en verfijning van de objecten die tot dan toe waren opgenomen in de Monumentenwet, om zo de NHW als één geheel te kunnen beschermen. In september 2009 werd door minister Ronald Plasterk bekend gemaakt dat de NHW op de lijst van Rijksmonumenten kwam te staan.

Bijeenkomst gemeenschappelijke naam werelderfgoedNa grootschalige investeringen om de bereikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid van de NHW te vergroten, volgde in 2014 het Pact van Altena. In deze bestuursovereenkomst werd door het Rijk en de betrokken provincies overeengekomen, dat de verantwoordelijkheid voor het nationaal project overgedragen zou worden aan de provincies.
De provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant voerden het project sindsdien uit als 'Programma Nieuwe Hollandse Waterlinie'. Het realiseren van de ambities uit het Linieperspectief bleef het doel, maar daaraan werd het voorbereiden op de status van UNESCO Werelderfgoed toegevoegd. Hierbij zou de NHW worden gepresenteerd als uitbreiding op de Stelling van Amsterdam (StvA), die sinds 1996 de status van Werelderfgoed heeft.
De aandacht gaat uit naar zowel borging en behoud van historische objecten en het landschap, als naar het scheppen van mogelijkheden om forten eigentijdse functies te geven.

Voor het lokaal behoud en ontwikkelen werden enkele lokale samenwerkingsverbanden met gemeenten, landschapsorganisaties en waterschappen opgericht. Het Pact van Loevestein (2002) omvat het gebied van Fort bij Everdingen tot Fort aan het Steurgat. In het Pact van Ruigenhoek (2017) gaat het om soortgelijke partijen in de provincie Utrecht, voor zowel de NHW als de StvA.

In 2015 werd de NHW daadwerkelijk door het Rijk aangedragen voor de status van UNESCO Werelderfgoed. Vier jaar later werd het nominatiedossier ervoor ingediend tot uitbreiding van de StvA met de NHW tot het werelderfgoed 'Hollandse Waterlinies'.
In de zomer van 2020 zou bij de jaarlijkse vergadering van het UNESCO Werelderfgoedcomité in de Chinese stad Fuzhou besloten worden of de status van werelderfgoed toegekend zou worden. Echter, vanwege het corona-virus werd in april 2020 besloten deze vergadering tot nader order uit te stellen.

onderzoek 3Cultuurhistorische kennis borgen

Het benodigde historisch onderzoek werd met name uitgevoerd en gepubliceerd door Rob Schimmel (provincie Noord-Holland) en René Ros voor de StvA, en Douwe Koen, Jaap de Zee en Chris Will (provincie Utrecht) voor de NHW.

Uit het Pact van Altena volgde ook het scheppen van de voorwaarden om kennis van de waterlinie te borgen, zodat deze beschikbaar blijft en in de toekomst geraadpleegd kan worden. Hieruit volgde dat in 2018 het Kenniscentrum Waterlinies  werd opgericht.

Tekst: Ronald Hamberg en René Ros.
Foto's: René Ros en Huib Fransen.

Bronnen: De genoemde rapporten en boeken uit de collectie van het Documentatiecentrum Stelling van Amsterdam en het Kenniscentrum Waterlinies.

Vorige Volgende

Hollandse Waterlinies